TERUG IN DE TIJD (Aflevering 3)

Bij de heroprichting van onze harmonie in 1865 bestond zij uit verschillende soorten leden. Er waren werkende, contribuerende, stemhebbende en ereleden. Ook kende men één of meer beschermheren.De werkende leden hadden het recht drie leden uit hun midden naar de vergaderingen der stemhebbende leden af te vaardigen. Ze hadden dezelfde rechten als de andere leden van de vergadering.Contribuerende leden hadden geen stemrecht, maar kregen wel gereserveerde plaatsen voor het bijwonen van de concerten. Hun gereserveerde plaatsen waren onmiddellijk achter die van de stemhebbende leden.Ereleden en/of beschermheren hadden enkel een adviserende stem en werden als zodanig om bijzondere reden benoemd door de stemhebbende leden. De laatstgenoemden, de stemhebbende leden, hadden het eigenlijk voor het zeggen. Ze waren in het bezit van een dertigtal aandelen, die uitgegeven waren bij een renteloze geldlening. Eén aandeel kostte toen f 10,- !! In 1867 werd het aantal aandelen tot veertig uitgebreid.            De stemhebbende leden kozen uit hun midden een directie, bestaande uit een directeur ( voorzitter J. Kroon ), een commissaris ( A. van de Beek ), een penningmeester-griffier ( secretaris-penningmeester P.F. Fruytier Sr. ) en een kapel-meester ( dirigent J. van Braband ). De directie moest de besluiten ten uitvoer brengen.            Na een zeer bloeiende beginperiode deed zich op de Westerschelde in het najaar van 1868 een zeer tragisch ongeval voor, dat onze harmonie bijzonder hard trof. ,Het Hulsterblad’ schreef toen het volgende:            “Hontenisse, 16 november 1868. Een droevig ongeval heeft den 16 ll. In Hontenisse menigeen in droefheid en rouw gedompeld. De algemeen geachte landbouwer P.F. Fruytier, die in den vroegen ochtend met zijn oudsten zoon in eene roeiboot naar Hansweert was overgebragt ( van waar zijn zoon per spoorweg zich naar Roermond naar eene kostschool begaf ), keerde omstreeks elf ure des voormiddags, vergezeld van den Heer K. Smit, Kapitein op het lichtschip bij Walsoorden, in voormelde sloep, geroeid door C. de Mul, een zeer ervaren schippersknecht, van Hansweert naar Walsoorden terug.Ongeveer half weg kwam eene bark hun achterop gevaren; Kapitein K. Smit zwaaide met zijn hoed en verzocht de sloep door toewerping van een eindjetouw, op sleeptouw te nemen. Zulks geschiedde, De Mul vatte het touw maar verklaarde, dat het onmogelijk was, dat te houden, doordien de bark eene al te vlugge vaart had.De kapitein beweerde het tegendeel en kwam met Fruytier, ondanks de daartegen gegevene waarschuwing van De Mul naar voren geloopen, om het touw te helpen vasthouden. Het gevolg was, dat de sloep vol water liep en omsloeg. Nu begon de worsteling op leven en dood, de een hield den ander vast; men riep, men bad om redding.—De bark vervolgde haren weg; twee tjalken, die kort daarop volgden, en met moeite allen hadden kunnen redden, vaarden voorbij. Eindelijk terwijl De Mul zich nog met alle mogelijke inspanning aan de omgeslagen sloep geklemd hield, Fruytier bij diens jas onder den arm houdende en den kapitein aan zijn been gevoelende, naderde een Noorweegsch vaartuig, dat De Mul nog levend, maar het lijk van Fruytier aan boord nam. Ook de kapitein is verdronken, maar zijn lijk nog niet gevonden.            De een zoowel de ander laat eene weduwe met 2 kinderen na. Steeds bereid, om ook het verborgen wel te doen, mag men zeggen, dat Fruytier een algemeene menschenvriend ongeval in de gemeente te weeg brengt. Zijne was; groot is dan ook de verslagenheid, die dit nagedachtenis echter zal een zegening blijven.”

Petrus Franciscus Fruytier Sr. Werd slechts 39 jaar oud. Het lijk van kapitein K. Smit (41 jaar ) werd twaalf dagen later gevonden in de schorren nabij Waarde.

 

P. F. Fruytier Sr. werd opgevolgd door….

zijn 16 jarige zoon, P. F. Fruytier Jr., die de functie van penningmeester/griffier tot ongeveer bij de eeuwwisseling uitoefende, en op kerkelijk, maatschappelijk en politiek vlak, heel wat pijlen op zijn boog had.

Als zoon van een landbouwer zat hij als griffier in diverse polderbesturen en werd in 1888 gekozen tot lid der Provinciale Staten van Zeeland.

In 1892 werd hij lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Voorts was hij voorzitter van het R. K. Armbestuur van de H. Martinusparochie te Groenendijk. Deze laatste functie zou hij tot zijn overlijden blijven uitoefenen. Als opvolger van A. A. van Braband ( een zoon van kapelmeester J. van Braband ), werd hij in 1893 benoemd tot gemeente-ontvanger van Hontenisse.

Hij was mede-oprichter van de Stoomtrammaatschappij ‘Hulst-Walsoorden’ President-commissaris van de krant ‘Zelandia’( later Duerinck-Krachten ), bestuurslid van de ‘Visserij op de Schelde’en van ‘de Zeeuwsche Stromen’. Hij was ruim twintig jaar lid van de Tweede Kamer en hij heeft nog vele andere functies bekleed, waardoor hem tijdens zijn leven vele serenades ten deel zijn gevallen.

 

Hij kreeg zowel van de Nederlandse als de Belgische regering hoge onderscheidingen. Hij overleed op 20 juni 1929, in de ouderdom van 77 jaar.

Wat moet men eigenlijk nog meer doen om beroemd te worden…..?

Kloosterzande is hem al lang vergeten! Jammer.

Th. C.

Leave a reply